Hét vraag- en antwoordplatform van Nederland

Hoe ontleed je de volgende twee zinnen? 1. Gisteren hadden de meisjes op Texel noodweer. 2. De man op de voorgrond is de voorzitter.

Het gaat om het onderwerp. Volgens een site met oefeningen (Cambiumned) is het onderwerp in 1: De meisjes, en in 2: De man op de voorgrond. Met in 1 'op Texel' neem ik aan een bijvoeglijke bepaling van plaats.
Maar waarom is 'op de voorgrond' dan geen bijvoeglijke bepaling van plaats, maar deel van het onderwerp?

Toegevoegd na 24 minuten:
Ik bedoel met bijvoeglijke bepaling: bijwoordelijke bepaling.

Verwijderde gebruiker
8 jaar geleden
in: Taal
Geef jouw antwoord
0 / 2500
Geef Antwoord

Het beste antwoord

Je moet vaststellen wat als 1 zinsdeel VOOR de persoonsvorm kam komen staan.

Daarvoor moet je uiteraard eerst de persoonsvorm kennen. Die vind je door de zin vragend te maken.

Hadden de meisjes op Texel gisteren noodweer?
Is de man op de voorgrond de voorzitter?

"Op Texel" kun je los voor de pv zetten en het maakt dus geen deel uit van het onderwerp. (Op Texel hadden de meisjes gisteren noodweer. Zo is ook "gisteren" een zinsdeel en "noodweer" eveneens.)

Bij "de man op de voorgrond" kun je geen zin maken die begint met "op de voorgrond". Het is dus geen apart zinsdeel.
Ook op een andere manier is het te zien. Vervang "de man op de voorgrond" maar eens door "hij". Dan heb je nog steeds een goedlopende zin. Je weet dan ook meteen dat dit zinsdeel onderwerp is want "hij" is een persoonlijk voornaamwoord dat alleen in de onderwerpsvorm voorkomt. De "voorwerpsvorm" van "hij" is "hem".
Computoon
8 jaar geleden

Andere antwoorden (1)

Omdat je het onderwerp zo groot mogelijk als kan moet maken. Als je meer kan zeggen dan alleen "de man" (in dit geval "op de voorgrond"), moet je dat erachter plakken.
Je moet daarom ook pas de bwb zoeken als je het onderwerp al hebt gevonden
Verwijderde gebruiker
8 jaar geleden
Deel jouw antwoord
0 / 2500
Geef Antwoord
logo van Kompas Publishing

GoeieVraag.nl is onderdeel van Kompas Publishing